vrijdag 31 december 2010

Dag 5 : Van Koto naar Dhukur Pokari

5 uur wandelen, 600 m stijgen, slapen op 3240m

s' Ochtends vroeg zitten we met een monnik rond het houtvuur in de keuken. Vandaag is een speciale dag: Diwalli ! We verwijderen ons discreet en ontbijten in de dining room terwijl er laag gezang en drums te horen zijn vanuit de keuken. Er wordt een kolenkacheltje aangestoken met daarop verse dennetakken waardoor het huis zich vol witte rook vult. Een ritueel dat elke ochtend wordt herhaalt om het huis, de velden, de heuvels, de mensen, de dieren, de bergen, de rotsen, de bomen.... te zegenen. De pot wordt buiten op de stenen omheining gezet net zoals in alle andere huizen en over het hele dorp stijgen witte rookpluimen naar de hemel. Tibetaanse bhoedisten geloven dat alles ooit je moeder was en daarom gerespecteerd en geeerd moet worden.
We worden uitgewuifd door het zoontje van het gezin, die met wangetjes vol snot en dezelde vuile kleren als gisteren door de modder waggelt. Aan het eind van het dorp registeren we ons bij de checkpoint om niet veel later aan te komen in Upper Pisang, een groter dorp met meer toeristen en minder gezellig. We zijn blij dat we in de nacht in Koto hebben doorgebracht.
We wandelen door eindeloze dennebossen. Soms naast de rivier in de vallei, soms hoog boven de bergkam. Ik heb er zin in vandaag ! De vallei wordt zo smal dat het pad uit de rotsen werd gedynamiteerd met een prachtig zicht op een rotswand in de vorm van een halve ronding van een ampfitheater. De gitzwarte wanden perfect glad en de bovenrand zo scherp als een mes. Op de top van een zware klim door een dicht dennenbos raken we aan de praat met 2 oude mannetjes met een juwelenstandje. De grote zak wiet tussen de bhoeddabeeldjes en gebedsmolens is een goed aankopingspunt voor een gezellig gesprek en we gieren samen van het lachen bij het aanzicht van de rood aangelopen toeristen die zich vloekend een weg naar boven puffen. We worden uitgenodigd om mee te eten van de pot dhal bat die op het vuur staat te prutelen maar we hebben nog een hele weg voor de boeg. We bedanken hen, heisen onze bagage op onze rug en worden op ons pad vergezeld van hun hond die in de schaduw op ons wacht als we wat trager wandelen. Na een lange afdaling komen we in Pokari. Het is er zo gezellig en zonnig dat we besluiten om er te blijven. Ons houten kamertje lijkt net een mini chalet. Alleen de verwarming ontbreekt. Zonder rugzak klimmen we hoger op het pad, een perfecte oefening om te aklimatiseren en minder vatbaar te zijn voor hoogteziekte. Het landschap hier is droog, vreemd, desolaat... en tussen de weerbarstige struiken staan ruïnes vab oude stenen huizen. Bizar maar toch mooi. Als we terugkeren naar het dorp zijn alle logdes, restaurants en winkeltjes verlaten. Enkel in de keuken van onze lodge brandt nog licht. We treffen er een moedige achterblijver aan die onze kok en gastheer is samen met 6 andere toeristen. Om onze gastheer te ontlasten bestellen we met z'n allen hetzelfde gerecht. In het gezelschap zit een Zwitsers-Uruguajaans koppel ( of hoe heet zo iemand ?) die gypsie muziek maken en plannen hebben om in lokale nepalese pubs op te treden, een gekke 64jarige Duitser die per fiest van Caïro naar Nepal fietste. Verder nog een Fransman die in 2 dagen dezelfde afstand wandelde als wij op 5 dagen en een hilarische Italiaan die enkel Italiaans mompelt. Plezier verzekerd !

Geen opmerkingen: